NSVNieuws
Uitgelichtfoto's
Home › Kunstrijden › Diploma's en testen › Diploma'sHome › Kunstrijden › Diploma's en testen › Diploma's

Schaatsvaardigheid

1. Uitglijden op 2 voeten:

Vaart maken door af te zetten met schaatsen en dan beide schaatsen op heupbreedte plaatsen en zo recht mogelijk op schaatsen staan en dan uitglijden.

2. Voorwaarts visjes:

Voeten afwisselend uit elkaar en naar elkaar brengen door druk te geven op de hielen en afwisselend de tenen naar binnen en buiten draaien.

3. Achterwaarts visjes:

Beginnen met de schaatsen met de tenen naar elkaar toe wijzend en de hielen uit elkaar. Knieën iets buigen en de romp iets voorwaarts gebogen, dan dmv de schaatsen naar buiten te duwen en de benen te strekken zullen de schaatsen van de beginstand gaan spreiden. Dan krachtig de hielen sluiten. De druk ligt hier voor op de schaats.

4. Zitje op twee voeten:

Voorwaarts schaatsen en na ca. 10 meter zo diep mogelijk gaan zitten. Met de billen op de hielen

minstens 5 meter blijven zitten en dan weer gaan staan en verder schaatsen. Bij het weer gaan staan

mogen de schaatsen niet van houding veranderen (dus geen voeten naar buiten strekken of één schaats naar achteren steken).

5. Vallen en opstaan:

Zorg dat je je klein maakt (romp naar voren en knieën buigen) bij het vallen. Opstaan vanuit de kruiphouding zonder je handen op het ijs te zetten. Plaats je handen op de opgetrokken knie en duw het lichaam omhoog door het been te strekken. Plaats dan je andere schaats erbij.

6. Voorwaarts schaatsen:

In de breedte van de baan of in de lengte van de korte zijde tot de middellijn in gewoon schaatsen, d.w.z. zonder hulp echte glijbewegingen maken: links- rechts-links-rechts-enzovoort.

7. Op 1 been staan:

Voorwaarts schaatsen en dan op één been naar keuze gaan staan. Blijf op een zo recht mogelijke lijn schaatsen. Vrije been hoeft niet tot kniehoogte te komen (hoeft geen ooievaar te zijn).

 

Diploma’ s (basistesten)

Aan het einde van het seizoen kunnen er de schaatsvaardigheidsdiploma's A t/m F worden behaald. De specifieke eisen per diploma staan hieronder vermeld. Elke test bestaat uit zeven onderdelen; per

onderdeel kunnen 0, ½ , 1, 1½ of 2 punten worden behaald. De maximum score is dus steeds 14 punten.

Hoe hoger de test, hoe meer punten nodig zijn om het diploma te behalen.

BASISTEST A - (minimaal 6 punten)

1. Voorwaarts rijden:

In de breedte van de baan of in de lengte van de korte zijde tot de middellijn in gewoon schaatsen, d.w.z. zonder hulp echte glijbewegingen maken: links- rechts-links-rechts-enzovoort.

2. Stoppen:

Een stukje schaatsen, dan stoppen d.m.v. een elegante kunstrijstop. Geen hockeystop of een

'sneeuwploeg'. Wel b.v. een T-stop.

3. Slalom om pionnen:

Door 'Ski-bewegingen te maken niet twee voeten tegelijk op het ijs om de ca. 8 pionnen heen schaatsen. Er moet een vloeiende beweging ontstaan.

4. Ooievaar voorwaarts:

Na ca. 10 meter schaatsen, vijf meter in ooievaarshouding blijven staan. De vrije voet is ter hoogte van de knie van het standbeen. Blijf op een zo recht mogelijke lijn staan.

5. Zitje op twee benen:

Voorwaarts schaatsen en na ca. 10 meter zo diep mogelijk gaan zitten. Met de billen op de hielen

minstens 5 meter blijven zitten en dan weer gaan staan en verder schaatsen. Bij het weer gaan staan

mogen de schaatsen niet van houding veranderen (dus geen voeten naar buiten strekken of één schaats naar achteren steken).

6. Achterwaarts rijden op twee benen:

Het zogenaamd 'eieren leggen' of 'visjes maken'. Op twee benen tegelijk bogen maken, beginnend door de hielen naar elkaar toe en de tenen uit elkaar te duwen - daarna de tenen bij elkaar te brengen en de hielen uit elkaar. Dit steeds herhalen zodat er een vloeiende beweging ontstaat.

7. Kleine opsprong met twee voeten:

Een stukje schaatsen, dan met twee voeten naast elkaar vanuit de knieën omhoog veren en een

sprongetje maken. Landen op twee voeten en verder schaatsen (2x).

 

BASISTEST B - (minimaal 8 punten)

1. Achterwaarts rijden:

Ongeveer 30 meter achterwaarts schaatsen door de benen één voor één op te tillen.

2. Opsprong:

Tweemaal een sprong van de ene schaats op de andere, beginnend op de punt van de ene schaats en eindigend op de punt van de andere schaats. Hierna netjes uitrijden.

3. Zweefstand voorwaarts:

Voorwaarts schaatsen. Na ca. 10 meter in zweefstand gaan staan en zo minimaal 5 meter blijven staan. Het geheel moet op een zo recht mogelijke lijn worden uitgevoerd. Houding: het vrije been maakt een hoek van 90° met het standbeen.

4. Sleepje:

Voorwaarts schaatsen. Na ca. 10 meter in de goede houding gaan zitten en dit tenminste 3 meter

volhouden. Daarna weer opstaan zonder uit balans te raken of om te keren. Het geheel moet op een zo recht mogelijke lijn worden uitgevoerd.

5. Draai van voorwaarts naar achterwaarts:

Voorwaarts schaatsen. Na ca. 10 meter de schaatsen naast elkaar op het ijs zetten en in een slag

omdraaien naar achterwaarts. Zo verder schaatsen. Geen bogen en 'noodstops' maken.

6. Ooievaar achterwaarts:

Achterwaarts schaatsen. Na ca. 10 meter in ooievaarshouding gaan staan en tenminste 5 meter achteruit rijden. De houding is hetzelfde als A4.

7. Chassé voorwaarts links en rechts:

Op een hockeycirkel chassé's maken; d.w.z. de binnenste schaats rijdt op de buitenkant en wordt

minimaal opgetild - de buitenste schaats rijdt op de binnenkant - er wordt afgezet door het buitenste been weg te strekken buiten de cirkel, schuin naar achteren.

 

 

BASISTEST C - (minimaal 9 punten)

1. Met snelheid schaatsen tussen de lijnen:

Starten bij de blauwe lijn, snel naar de rode lijn schaatsen, remmen, terugschaatsen, dan naar de

volgende blauwe lijn schaatsen, remmen en weer terug en remmen.

2. Visjesparcours:

Driemaal een visje voorwaarts maken met de armen opzij, dan driemaal een visje waarbij het ijs wordt

aangeraakt met de handen (niet steunen op de handen), daarna driemaal een visje met vrije

armbewegingen. Het geheel moet vloeiend verlopen - dus niet stoppen bij het begin of aan het eind van elke beweging.

3. Losse drieën buitenwaarts, links en rechts:

Vanuit stilstand afzetten, een halve draai maken op een schaats (=drie), even op het standbeen staan en uitrijden op de andere schaats. Dit tweemaal links en tweemaal rechts.

4. Chassé's plus zweefstand:

In achtvorm; de chassé's komen op de bogen, de zweefstanden op de rechte lijnen van de 'kruising'. Het geheel wordt eenmaal uitgevoerd.

5. Chassé's plus slalom op twee benen:

De chassé's komen op de bogen van een achtvorm; de slalom op de 'kruising'. Ga elke keer op twee

benen om tenminste vijf pionnen heen.

6. Draaien op de cirkel.

Aanrijden van buiten de cirkel om een beetje vaart te maken; dan met twee benen naast elkaar minstens driemaal een draai maken op de hockeycirkel. Het geheel moet zo soepel mogelijk verlopen en er mag onderweg niet gestopt worden. Er ontstaat zo een doorgaande beweging.

7. Ooievaarsparcours:

Op een rechte lijn schaatsen - twee gewone slagen maken - dan een ooievaar voorwaarts (ca. 5 meter) -1 visje voorwaarts - een draai op twee benen van voorwaarts naar achterwaarts (ca. 3 meter). Besluiten met een draai van achterwaarts aar voorwaarts en remmen.

 

 

BASISTEST D - (minimaal 10 punten)

1. Mohawks - links of rechts op circel:

Overstappen van voorwaarts op achterwaarts, d.w.z. zoveel mogelijk van boog op boog. Je hoeft hierbij nog niet echt op de kanten te staan. Mohawks links of rechts is makkelijker op de cirkel.    

 2. Voorwaarts overstappen links en rechts:

Op een hockeycirkel overstappen, twee ronden links en twee ronden rechts. Het geheel moet een

vloeiende beweging opleveren, goed in de knieën gereden.

3. Achterwaarts overstappen links en rechts:

Over een hockeycirkel achterwaarts overstappen links en rechts.

4. Pirouette op twee benen:

Er mag vanuit stilstand of niet aanrijden begonnen worden. Er moeten ten minste drie aaneengesloten

draaien gemaakt worden waarbij zoveel mogelijk op dezelfde plaats gedraaid wordt.

5. Zweefstand achterwaarts:

Ongeveer tien meter achteruit schaatsen, dan in de zweefhouding gaan staan en deze tenminste vijf

meter volhouden. Er moet zoveel mogelijk een rechte lijn gevolgd worden. Voor de houding: zie B3.

6. Zitje op één been:

Voorwaarts schaatsen. Na ca tien meter gaan zitten op één been door het vrije been naar voren te

strekken en met de billen op de hiel van het standbeen te gaan zitten. Deze houding tenminste 5 meter volhouden. Daarna op dezelfde manier weer opstaan en verder schaatsen. De vrije schaats mag het ijs niet raken tijdens de gehele oefening.

7. Drietje met een haasje links of rechts:

Al dan niet met aanrijden een drietje maken waarna een haasje gesprongen wordt. Er moet duidelijk waar te nemen zijn dat beide schaatsen van het ijs zijn.

 

 

BASISTEST E - (minimaal 11 punten)

1. Drieën parcours in achtvorm:

De twee hockeycirkels aan het einde van de baan vormen de lussen van de acht. Daarop maak je

tenminste drie drieën. Op de kruising wordt gewoon geschaatst. Het parcours moet voorwaarts worden afgelegd. De drieën mogen zowel buitenwaarts als binnenwaarts gemaakt worden.

2. Mohawks parcours in achtvorm:

Achterwaarts overstappen op de cirkels = op de kruising telkens in een rechte lijn driemaal een mohawk uitvoeren.

3. Passenserie op een hockeycirkel:

Passenserie naar vrije keuze van de deelnemer. Het geheel moet er soepel gereden uitzien - dus geen haperingen.

4. Halve sprongen op de cirkel:

Op een hockeycirkel schaatsen. Twee voeten naast elkaar zetten en 'omspringen' van voorwaarts naar achterwaarts, terug naar voorwaarts enz. Er moeten tenminste zes sprongen gemaakt worden.

5. Landingshouding:

Op een hockeycirkel achterwaarts overstappen en dit één ronde volhouden - daarna in de landingspositie van een sprong gaan staan en op deze manier een kwart van de cirkel blijven staan. Het vrije been moet mooi naar achteren zijn gestrekt en de armen moeten de houding ondersteunen. Het standbeen is goed gebogen.

6. Voorwaarts in halve buitenbogen:

In rechte lijn aanschaatsen en viermaal een halve buitenboog op één been. (Standbeen links of rechts

naar eigen keuze).

7. Voorwaarts halve binnenbogen.

In rechte lijn aanschaatsen en viermaal een halve binnenboog op één been. (Standbeen

tegenovergesteld aan E6)

 

 

BASISTEST F - (minimaal 12 punten)

1. Voorwaarts cross rolls:

Op een rechte lijn boogjes voorwaarts: met buitenkant afzetten daarbij vrije been voorwaarts overkruisen.

2. Voorwaarts slangenboog links en rechts:

Rechts buitenwaarts (tegenhouding) na een halve boog wisselt de schaats van buiten naar binnen en

volgt een halve binnenwaartse boog. Gedurende de eerste halve boog wisselen de armen en het vrije

been gaat van achteren naar voren met een rustige beweging. Op de helft van de overgang wisselen de armen en het vrije been terug. Starten weer in tegenhouding voor een binnenwaartse boog gedurende de eerste halve boog wisselen de armen en het vrije been gaat van achteren naar voren met een rustige beweging. Op de helft van de overgang wisselen de armen en het vrije been terug. Er moet minstens 1 buitenwaartse en een binnenwaartse afzet getoond worden.

3. Spreid Rittberger :

Gestart wordt vanuit een binnenwaartse drie - dan achterwaarts buitenwaarts aanrijden. Niet inprikken en landen op het andere been (=halve Rittberger).

4. Kadet:

Kadet met aanloop of vanuit een buitenwaartse drie. Landing op 1 been achterwaarts buitenwaarts. Halve draai in de lucht. Landingshouding drie tellen vasthouden.

5. Spot:

Met een voorwaartse aanloop of een voorwaartse afzet. Binnenwaartse drie en achter inprikken. Landing achterwaarts buitenwaarts op 1 been. Een draai in de lucht. Landingshouding drie tellen vasthouden.

6. Salchow:

Met aanloop of vanuit een buitenwaartse drie. Landing achterwaarts buitenwaarts op één been. Een draai in de lucht. Ladingshouding drie tellen vasthouden.

7. Standpirouette:

Met of zonder aanloop minimaal drie draaien op 1 been, waarbij het vrije been wordt opgetrokken

(ooievaarshouding minimaal drie draaien).

 

 

BASISTEST G

De KNSB heeft onlangs een nieuwe basistest in het leven geroepen met de letter G.

Deze test is met name interessant voor rijders die de diploma s A tot en met F al in het bezit hebben en die niet meedoen met de Nationale Testen (Interbrons t/m Masters). Als je interesse hebt om deze test af te leggen, neem dan contact op met de trainster.

Bij basistest G wordt het volgende verlangd:

Pirouette met wissel van standbeen en/of houding (minimaal 3 draaien per wissel van standbeen en/of houding)

Passenserie op een hockeycirkel bestaande uit minimaal 5 verschillende elementen

Spot

Salchow

Rittberger

Combinatiesprong (bijvoorbeeld kadet-Euler-Salchow, kadet-Rittberger)Alle elementen dienen op muziek te worden uitgevoerd. Je mag zelf je muziek kiezen. De kür mag 1:00 tot 1:30 minuut duren en moet worden afgelegd op 1/3 van de baan (rondom en op 2 grote hockeyci

Copyright © 2013 nijmeegseschaatsvereniging.nl | website geoptimaliseerd voor een resolutie van 1024x78 of hoger i.cm. de laatste browserversies
Terug naar boven

Ogenblik a.u.b. ...